Clowntje uit de coulissen

Clowntje uit de coulissen

Clowntje uit de coulissen, een workshop van Kaliber Kunstenschool.

Wat maakt een clown een clown? Het is absoluut meer dan alleen grappig zijn. In deze humoristische theaterworkshop spelen de leerlingen met rode clownsneuzen klunzige, gierende en huilende clowns. De leerlingen leren diverse clownerievaardigheden waarin ze bewust worden van de zeggingskracht van gezichtsuitdrukkingen en fysieke expressie.

Oriënteren:

Wat is een clown? Waaraan herken je een clown? Wat doet hij? Kennen jullie ook bekende clowns? De leerkracht bespreekt dit soort vragen met de kinderen in de klas.

Onderzoeken: 

Voor de workshop ontvangt de school een lesbrief met lessuggesties ter voorbereiding zoals bijvoorbeeld een beeldende opdracht waarbij de kinderen van hun eigen foto een clown maken.

Uitvoeren:

Om te beginnen krijgt elk kind natuurlijk een rode neus. Vervolgens worden er verschillende korte theateroefeningen gedaan.

Evaluatie:

In de begeleidende lesbrief staan ook suggesties voor theaterspellen die de leerkracht zelf met de klas kan uitvoeren in de periode na de workshop. 

Leerplankader

Oriënteren
(25 punten)
Onderzoeken
(25 punten)
Uitvoeren
(25 punten)
Evalueren
(25 punten)

De leerling kan aan de hand van een onderwerp/thema/voorstelling ideeën opdoen en dit als inspiratiebron gebruiken voor eigen dramatisch spel.

De leerling kan onderzoek doen naar de spelelementen wie, wat en waar. De leerling kan situaties uit zijn directe leefwereld of uit de media vormgeven in dramatisch spel en een verband leggen tussen een personage en een verhaal. Hij kan daarbij onderscheid maken tussen iemand anders spelen dan zichzelf. De leerling kan meerdere oplossingen bedenken bij het onderzoeken van een opdracht.

De leerling kan door te improviseren zelfstandig en spontaan oplossingen verzinnen. De leerling kan bewust de spelelementen wie, wat, waar in spel vormgeven. De leerling kan uiterlijke kenmerken van zijn rol bedenken en uitbeelden met gebruik van houding, gebaar, stem en taal. De leerling kan, binnen een gegeven kader, een scène met een duidelijke opbouw van begin – midden – eind voorbereiden en spelen. Hij kan daarbij in overleg met anderen keuzes maken en aangeven hoe hij gebruik heeft gemaakt van ideeën die hij heeft opgedaan in de onderzoeksfase. De leerling kan spelopdrachten uitvoeren, actief meespelen met de dramatische werkvormen: (vertel)pantomime, spelen met materialen, teacher in role, tableau vivant, improvisatiespel, afspreekspel, spiegelspel en dialoogspel uitvoeren en kan daarbij, onder begeleiding, onderscheid maken tussen speel- en publieksruimte. De leerling kan met een groepje een presentatie geven voor de eigen groep en/of een andere voor hem bekende publieksgroep.

De leerling kan vertellen over zijn vormgevingsproces en zijn (groeps-) presentatie en kan benoemen wat zijn rol is in de samenwerking met anderen. Hij kan zijn eigen keuzes onder woorden brengen. De leerling staat open voor feedback van anderen en kan dit waarderen.