Orfeo - (8+)

Orfeo - (8+)

Deze voorstelling is onderdeel van het Compleet Cultuurpakket op Maat van Theater Sonnevanck (klik hier voor meer informatie).

 ---

 De oudste opera van de wereld in een frisse nieuwe versie voor kinderen vanaf 8 jaar. Spannend, grappig, ontroerend muziektheater en een uitnodigende kennismaking met opera. Lees reacties van leerkrachten onder aan de pagina.

De voorstelling

Eerst zien, dan geloven

Iedereen houdt van hem: Orfeo! De fans staan voor hem in de rij. Als Orfeo zingt is het alsof de zon gaat schijnen en verdriet niet meer bestaat. Geen wonder dat hij zich onoverwinnelijk voelt. Geen wonder dat het mooiste meisje van de wereld, Eurydice, zijn vriendin is. Een stralend duo zijn ze. Het leven lacht hen toe, niets kan ze stoppen.

Tot opeens Eurydice sterft, gebeten door een giftige slang. Orfeo weigert het te geloven. In zijn leven sterft er niemand! En zeker Eurydice niet. Tot aan de onderwereld reist hij om haar terug te vinden. Als het moet zal hij de Dood betoveren met zijn zang. Maar is dat genoeg om haar weer mee te nemen?

 

Reacties leerkrachten
‘Indrukwekkend verhaal! In een mooi decor met prachtige muziek veel emotie over kunnen brengen op het publiek. Ze waren de volle tijd geboeid. Complimenten!
– Werner (leerkracht groep 5/6)

‘Vooraf waren er best wat kinderen niet enthousiast, omdat ze naar een ‘opera’ gingen. Achteraf waren ze zeer zeker enthousiast! Ze vonden het spannend en ze hadden over ‘hoe nu verder?’ (…) Het was erg gaaf om te zien hoe met eenvoud een scène gezet wordt, er staat weinig maar je ziet precies wat er bedoeld wordt. Je werd meegezogen in het verhaal. Erg mooi gedaan!’
– Daan (leerkracht groep 6)

Meer informatie over Orfeo

Voor vragen kunt u contact opnemen met:
Theater Sonnevanck
Susan Waanders
telefoon: 053-4315400
e-mail: susan@sonnevanck.nl

Leerplankader

Oriënteren
(50 punten)
Onderzoeken
(20 punten)
Uitvoeren
(10 punten)
Evalueren
(20 punten)

De leerling kan (binnen een inspirerende werkvorm) met aandacht luisteren naar muziek van buiten zijn belevingswereld. De leerling kan de eigen betekenisgeving aan muziek spiegelen aan die van anderen, en staat daarbij open voor andere ideeën.

De leerling kan variaties op thema’s in muziek herkennen en analyseren. De leerling kan variatie als vormprincipe toepassen in zijn composities. De leerling kan zijn muzikale ideeën vormgeven en eventueel verklanken met gebruikmaking van (muziek)technologie. De leerling kan specifieke klankaspecten onderscheiden en die weergeven in passende grafische symbolen.

De leerling kent meerdere canons. De leerling kan eenvoudige ritmische en melodische (begeleidings)patronen spelen binnen meerstemmigheid. De leerling kent de namen en speelwijzen van het schoolinstrumentarium en die van het pop- en (Westerse) klassieke instrumentarium. De leerling kan presenteren met overtuiging.

De leerling kan ontvangen suggesties verwerken in zijn werk(proces). De leerling heeft enig inzicht in de manier waarop muziek het gedrag van mensen kan beïnvloeden.

De leerling kan zijn eigen dramatisch spel afstemmen met de groep en dit gebruiken in een presentatie (zoals een theaterstuk). De leerling kan de verschillende betekenissen die anderen aan theater geven vergelijken met zijn eigen betekenisgeving.

De leerling kan onderzoek doen naar de mogelijke betekenis en de zeggingskracht van spelelementen (wie, wat, waar, wanneer en waarom), speltechnieken en spelstijlen die nodig zijn voor het maken van een scène. Hij kan de opbouw van een toneelstuk (begin, midden, eind en scènes) benoemen. De leerling kan een uitvoeringsplan maken, individueel of samen met anderen, en kan daarbij rekening houden met de criteria van de gegeven opdracht en zijn eigen criteria en/of die van de groep.

De leerling kan bewust de spelelementen wie, wat, waar, wanneer en waarom in spel vormgeven. De leerling kan betekenis en zeggingskracht geven aan zijn spel door een duidelijke inzet van speltechnieken, spelstijlen, (vaste) tekst en (gespeelde) emoties. De leerling kan zijn keuzes motiveren en een relatie leggen tussen de scène en de onderzoeksfase. Hij staat daarbij open voor feedback van anderen. De leerling kan spelopdrachten uitvoeren, actief meespelen met de dramatische werkvormen: tableau vivant, afspreekspel, dialoogspel, toneelspel, tekstspel, improvisatiespel/ inspringspel en voordrachtspel en kan de theatrale vormgeving (decor, kostuums) bewust toepassen in een scène of toneelstuk. De leerling herkent bovenstaande spelopdrachten en dramatische werkvormen en kan verschillen benoemen. De leerling kan zelfstandig een dialoog schrijven en kan een voorstelling maken voor een publiek dat gebaseerd is op een zelfgemaakt of bestaand verhaal. De leerling kan in de les of voor (onbekend) publiek met een duidelijke expressie (verbaal en non-verbaal) spelen.

De leerling kan zijn spelkwaliteiten en ontwikkelpunten en die van andere leerlingen benoemen en kan daarbij zijn eigen criteria (en/of die van de groep) vergelijken met de criteria van de opdracht. De leerling kan een relatie leggen tussen zijn eigen betekenisgeving en die van anderen, waaronder (semi) professionele kunstenaars. De leerling kan de feedback over zijn spel en dat van andere leerlingen uit zijn groepje toepassen in zijn spel.