Het onzichtbare land van Fieke Fonkel
Het onzichtbare land van Fieke Fonkel - Een workshop van Kaliber Kunstenschool
Kleuters fantaseren er graag op los! En die fantasie kunnen ze heerlijk de vrije loop laten gaan tijdens deze theaterworkshop. De leerlingen maken op een leuke manier kennis met improvisatietheater en ook met de theatertechniek levend standbeeld. De leerlingen gaan met het personage Fieke naar het onzichtbare land Fonkel. Fieke heeft een fantasiekoffer waar ze van alles uit kan halen. In Fonkel maken Fieke en de leerlingen allerlei avonturen mee. Van al deze avonturen maken ze levende foto’s
Oriënteren:
Wat is onzichtbaar eigenlijk en kun jij ook onzichtbaar zijn? Durven jullie mee naar het onzichtbare land Fonkel? Wat zou daar allemaal zijn?
In de begeleidende lesbrief zitten verschillende lessuggesties om het thema 'het onzichtbare land' al te laten leven in de klas.
Onderzoeken:
Fieke stelt zichzelf voor en vraagt de kinderen of ze wel eens op vreemde plekken zijn geweest? Zij verteld over een boek dat ze gelezen heeft over een jongen die naar een vreemd land ging.
Fieke wil met de leerlingen op reis, maar wat moet er allemaal mee in de magische koffer met onzichtbare spullen?
Uitvoeren:
De kinderen worden op een interactieve manier meegenomen in het verhaal van Fieke, waarbij ze verschillende drama/theateroefeningen gaan doen.
Evaluatie:
Wat vonden jullie het leukst om te doen? Waren er ook grappige dingen bij? Of spannende? Heb je ook nog nieuwe dingen geleerd?
Oriënteren
(25 punten)
Onderzoeken
(25 punten)
Uitvoeren
(25 punten)
Evalueren
(25 punten)
De leerling kan zich binnen de context van het thema of onderwerp openstellen voor verschillende uitingen van kunst en cultuur. De leerling kan daarop reageren met associaties en herinneringen aan eigen ervaringen. De leerling kan daarover communiceren met anderen.
De leerling kan brononderzoek doen en vanuit dit onderzoek conclusies trekken die hij meeneemt in de uitvoerende fase. De leerling kan de betekenis die hij aan kunstuitingen geeft onderzoeken en een relatie leggen met de middelen die de maker heeft gebruikt, bijvoorbeeld beeldof klankaspecten, spel- of danselementen, technieken en materialen. De leerling kan experimenteren met technieken, materialen, verschillende media en nieuwe mogelijkheden uitproberen. De leerling kan onderzoeken op welke manier hij de opdracht kan gaan uitvoeren en kan een uitvoeringsplan maken. De leerling kan eigen criteria en de gegeven criteria van de opdracht benoemen. De leerling kan teruggrijpen naar de informatie en ideeën opgedaan in de oriëntatiefase.
De leerling kan zijn plannen uitvoeren (met behulp van vakspecifieke kennis en vaardigheden) en de uitvoering presenteren (individueel of samen met anderen). De leerling kan zijn keuzes motiveren en een relatie leggen met de onderzoeksfase. De leerling kan in het vormgevingsproces rekening houden met de gegeven en zijn eigen criteria. De leerling kan, daar waar relevant, samenhang benoemen tussen een beeld, dans, spel of muziek en/of andere vakken.
De leerling kan vertellen over het verloop van het werkproces. De leerling kan zijn waardering geven aan het eigen product en werkproces en dat van anderen. De leerling kan deze waardering beargumenteren en maakt daarbij gebruik van kennis en inzicht in verschillende uitingen van kunst en cultuur. De leerling kan oplossingen in het eigen werk vergelijken met die van kunstenaars. De leerling kan laten zien dat hij enige kennis en inzicht in de betekenis die kunst en cultuur, voor het dagelijkse leven van mensen van vroeger en nu, heeft.