Rare robots

Rare robots

Rare Robots - Een workshop van Kaliber Kunstenschool

We nemen de leerlingen van groep 3 en 4 tijdens theaterworkshop mee de toekomst in; en in deze toekomst zijn alle mensen veranderd in robots.

 

Oriënteren

Stel de leerlingen de volgende vragen:  

 - Wat is een robot?  

 - Zou jij een robot willen zijn? Waarom? 

 - Als je een robot was wat zou je dan doen? 

 - Wat zou je leuk vinden aan robot zijn? En wat stom? 

 - Kan je ook vrienden zijn met robots? Of er misschien wel verliefd op worden? 

 

Onderzoeken

In de begeleidende lesbrief staan verschillende opdrachten (uit verschillende disciplines) om met de leerlingen bezig te gaan rondom het thema robots.

 

Uitvoeren

Tijdens de workshop krijgen de leerlingen eerst wat informatie over de geschiedenis van de robot. Daarna volgt een warming-up en gevolgd door verschillende oefeningen rondom grappige verhaaltjes; leerlingen spiegelen elkaar als robots, besturen andere robots, en verkopen robots in een speciale robotwinkel.

 

Evalueren

Bespreek met de leerlingen wat ze vonden van de workshop.

Welke oefening vonden ze het leukst om te doen en welke vonden ze niet zo leuk en waarom?

Vonden ze het lastig om zich in te leven en zich te gedragen als een robot? Waarom wel of waarom niet?

 

 

Leerplankader

Oriënteren
(25 punten)
Onderzoeken
(25 punten)
Uitvoeren
(25 punten)
Evalueren
(25 punten)

De leerling kan aan de hand van een onderwerp/thema/voorstelling ideeën opdoen en dit als inspiratiebron gebruiken voor eigen dramatisch spel.

De leerling kan onderzoek doen naar de spelelementen wie, wat en waar. De leerling kan situaties uit zijn directe leefwereld of uit de media vormgeven in dramatisch spel en een verband leggen tussen een personage en een verhaal. Hij kan daarbij onderscheid maken tussen iemand anders spelen dan zichzelf. De leerling kan meerdere oplossingen bedenken bij het onderzoeken van een opdracht.

De leerling kan door te improviseren zelfstandig en spontaan oplossingen verzinnen. De leerling kan bewust de spelelementen wie, wat, waar in spel vormgeven. De leerling kan uiterlijke kenmerken van zijn rol bedenken en uitbeelden met gebruik van houding, gebaar, stem en taal. De leerling kan, binnen een gegeven kader, een scène met een duidelijke opbouw van begin – midden – eind voorbereiden en spelen. Hij kan daarbij in overleg met anderen keuzes maken en aangeven hoe hij gebruik heeft gemaakt van ideeën die hij heeft opgedaan in de onderzoeksfase. De leerling kan spelopdrachten uitvoeren, actief meespelen met de dramatische werkvormen: (vertel)pantomime, spelen met materialen, teacher in role, tableau vivant, improvisatiespel, afspreekspel, spiegelspel en dialoogspel uitvoeren en kan daarbij, onder begeleiding, onderscheid maken tussen speel- en publieksruimte. De leerling kan met een groepje een presentatie geven voor de eigen groep en/of een andere voor hem bekende publieksgroep.

De leerling kan vertellen over zijn vormgevingsproces en zijn (groeps-) presentatie en kan benoemen wat zijn rol is in de samenwerking met anderen. Hij kan zijn eigen keuzes onder woorden brengen. De leerling staat open voor feedback van anderen en kan dit waarderen.