Dichten is niet Eng of hoe word ik de nieuwe juniorstadsdichter van Enschede

Stichting Dichters in Enschede, organiseert in samenwerking met de bibliotheek

Enschede, Concordia, de SLME en gemeente Enschede, de verkiezing voor de

stadsdichter van Enschede. Hierbij behoort een lesproject (hoe maak je een

gedicht) voor alle groepen 7 en 8 van de basisscholen in Enschede.

 

 

Eind januari 2022 volgt de verkiezing met rode loper in Concordia en draagt de

huidige juniorstadsdichter Naz Ergin het stokje over.

 

Tanja ter Dicht (Regine Hilhorst)

van het Instituut voor het dichten in het algemeen en het juniorstadsdichten in het bijzonder en bekend van het duo Anja en Tanja www.anjaentanja.nl.

komt in de klas!

 

 

Ze geeft een poëzie-workshop naar aanleiding van het digitale lesprogramma Plastic Soep. https://youtu.be/QTRwa4XI0jg.

 

Elke leerling krijgt tijdens de workshop een gedrukt werkboekje https://www.stadsdichterenschede.nl/hulp-bij-het-dichten/ waarbij via zintuiglijke beleving stap voor stap wordt verteld hoe je tot een gedicht kunt komen.

 

Deze gedichten zou je kunnen gebruiken om mee te doen aan de junior stadsdichtersverkiezing 2022 maar dat hoeft natuurlijk niet.

 

Gedichten kunnen tot eind december 2021 verstuurd worden naar juniorstadsdichter@cultuureducatie-enschede.nl

 

 

 

Leerplankader

Oriënteren
(10 punten)
Onderzoeken
(40 punten)
Uitvoeren
(40 punten)
Evalueren
(10 punten)

De leerling kan zich binnen de context van het thema of onderwerp openstellen voor verschillende uitingen van kunst en cultuur. De leerling kan daarop reageren met associaties en herinneringen aan eigen ervaringen. De leerling kan daarover communiceren met anderen.

De leerling kan brononderzoek doen en vanuit dit onderzoek conclusies trekken die hij meeneemt in de uitvoerende fase. De leerling kan de betekenis die hij aan kunstuitingen geeft onderzoeken en een relatie leggen met de middelen die de maker heeft gebruikt, bijvoorbeeld beeldof klankaspecten, spel- of danselementen, technieken en materialen. De leerling kan experimenteren met technieken, materialen, verschillende media en nieuwe mogelijkheden uitproberen. De leerling kan onderzoeken op welke manier hij de opdracht kan gaan uitvoeren en kan een uitvoeringsplan maken. De leerling kan eigen criteria en de gegeven criteria van de opdracht benoemen. De leerling kan teruggrijpen naar de informatie en ideeën opgedaan in de oriëntatiefase.

De leerling kan zijn plannen uitvoeren (met behulp van vakspecifieke kennis en vaardigheden) en de uitvoering presenteren (individueel of samen met anderen). De leerling kan zijn keuzes motiveren en een relatie leggen met de onderzoeksfase. De leerling kan in het vormgevingsproces rekening houden met de gegeven en zijn eigen criteria. De leerling kan, daar waar relevant, samenhang benoemen tussen een beeld, dans, spel of muziek en/of andere vakken.

De leerling kan vertellen over het verloop van het werkproces. De leerling kan zijn waardering geven aan het eigen product en werkproces en dat van anderen. De leerling kan deze waardering beargumenteren en maakt daarbij gebruik van kennis en inzicht in verschillende uitingen van kunst en cultuur. De leerling kan oplossingen in het eigen werk vergelijken met die van kunstenaars. De leerling kan laten zien dat hij enige kennis en inzicht in de betekenis die kunst en cultuur, voor het dagelijkse leven van mensen van vroeger en nu, heeft.