Natuurschatten en afvalkunst (kleine handen, grote verandering)

Natuurschatten en afvalkunst (kleine handen, grote verandering)

Natuurschatten en afvalkunst - een module van Kaliber kunstenschool

In deze module van 3 workshops ontdekken leerlingen de schoonheid van de natuur en leren ze hoe afval een tweede leven kan krijgen in de kunst.

Ze gebruiken diverse technieken om van natuurlijke materialen en gerecyclede voorwerpen hun eigen kunstwerk te maken.

Door verwondering en bewustwording te combineren, worden leerlingen op een speelse manier gestimuleerd om met aandacht naar hun omgeven te kijken en er respectvol mee om te gaan.

 

In de eerste workshop gaan leerlingen bezig met het thema Plastic soep. Ze gaan stempelen met afval.

In de tweede workshop gaan leerlingen aan de slag met het maken van afdrukken in klei met elementen uit de natuur

De laatste workshop maken de leerlingen een boeket van vondsten (denk aan takjes, gedroogde bloemen) en hergebruikt afval (denk aan dopjes, rietjes)

 

Bij deze module zit een voorbereidende lesbrief waarbij de leerkracht alvast met de leerlingen oriënteert op het thema: wat is natuur en wat hoort er allemaal bij de natuur? Wat vind je mooi aan de natuur?

De leerkracht gaat met de leerlingen naar buiten om natuurschatten te zoeken die later gebruikt kunnen worden tijdens de workshops.

De onderzoekende fase van het creatief proces komt elke workshop aan bod door samen met de leerlingen de verschillende materialen te ontdekken. 

Hoe kan je materialen inzetten?

Tijdens elke workshop gaan leerlingen bezig met het uitvoeren van creatieve activiteiten om zo te werken naar mooie eindresultaten.

De leerlingen kunnen samen met hun klasgenoten (en evt ouders) reflecteren op deze module door gezamenlijk de kunstwerken te bekijken tijdens de gemaakte expositie.

Leerplankader

Oriënteren
(25 punten)
Onderzoeken
(25 punten)
Uitvoeren
(25 punten)
Evalueren
(25 punten)

De leerling kan zich met alle zintuigen openstellen voor beeldende vormgeving en beeldende kunst binnen een thema/onderwerp dat aansluit bij zijn belevingswereld en in binnen- en buitenschoolse situaties. De leerling kan (met hulp van leerkracht of vak expert) betekenis geven aan beelden door waarnemen (‘hands –on’), benoemen en praten en rond beelden verhalen te verzinnen.

De leerling kan thema’s en onderwerpen uit zijn belevingswereld gebruiken als inspiratiebron voor beeldend vormgeven. De leerling kan binnen de context van het thema/ onderwerp spelenderwijs materialen en technieken en beeldaspecten (kleur, vorm, compositie, ruimte, textuur) verkennen. De leerling kan zich bij het experimenteren laten leiden door een manipulerende onderzoekende houding, zintuigelijke ervaringen en toevallige ontdekkingen.

De leerling kan zijn ideeën vormgeven in beeldende werken en vertellen over wat hij wil maken. De leerling kan tijdens het werken de gebruikte materialen en gereedschappen benoemen en kent de regels voor veilig gebruik.

De leerling kan vertellen over zijn beeldende werk (wat heb je gemaakt en hoe heb je dat gedaan). De leerling kan kijken naar en praten over het beeldende werk van groepsgenoten. De leerling kan zijn eigen werkwijze vergelijken met die van beeldend vormgevers/kunstenaars.