Maak je eigen reclamefilm

Maak je eigen reclamefilm

Maak je eigen reclamefilm - een workshop van Kaliber Kunstenschool

Deze workshop neemt je mee in de wereld van de reclameboodschappen. Je krijgt inzicht in de achterliggende mechanismen van reclame door zelf een filmpje te maken.

Wat betekenen begrippen als doelgroep, aandacht en boodschap?

En hoe zit het met de filmische aspecten van een commercial zoals: aantal shots, camerastandpunten, muziek en (na)kleuring van de beelden. De opdracht voor leerlingen is om een filmpje van maximaal één minuut te maken voor de eigen school, waarbij de leerlingen op zoek gaan naar dingen die hun school, ook voor ouders, uniek maken.

De ouders van (potentiële nieuwe) kleuters zijn de doelgroep. In groepjes van 4 tot 5 leerlingen wordt er een filmpje gemaakt aan de hand van een scenario waarbij alle leerlingen acteren en filmen.

Per groep is er een camera met filmfunctie beschikbaar. Bij het filmen is respect voor anderen belangrijk, zowel voor je medeleerlingen als andere leerlingen en leerkrachten in het gebouw. Aan het eind van de workshop worden de filmpjes vertoond en besproken. De beelden blijven op school i.v.m. privacy!

Oriënteren

De leerkracht gaat ter voorbereiding op de workshop in gesprek met leerlingen. Waar kom je reclamefilmpjes tegen? Hoe vaak zie je ze? Welke blijven je bij en waardoor komt dat? Wat maakt een reclamefilmpje goed?

Onderzoeken

De leerlingen leren tijdens de workshop over filmische aspecten zoals camerastandpunten, muziek en (na)kleuring van de beelden.

Uitvoeren

In groepjes gaan de leerlingen een promotiefilmpje maken voor hun school. Ze schrijven hun eigen script, verdelen de rollen en gaan het filmen.

Evalueren

De filmpjes worden klassikaal bekeken en met elkaar besproken. 

Leerplankader

Oriënteren
(25 punten)
Onderzoeken
(25 punten)
Uitvoeren
(25 punten)
Evalueren
(25 punten)

De leerling kan zich binnen de context van het thema of onderwerp openstellen voor verschillende uitingen van kunst en cultuur. De leerling kan daarop reageren met associaties en herinneringen aan eigen ervaringen. De leerling kan daarover communiceren met anderen.

De leerling kan brononderzoek doen en vanuit dit onderzoek conclusies trekken die hij meeneemt in de uitvoerende fase. De leerling kan de betekenis die hij aan kunstuitingen geeft onderzoeken en een relatie leggen met de middelen die de maker heeft gebruikt, bijvoorbeeld beeldof klankaspecten, spel- of danselementen, technieken en materialen. De leerling kan experimenteren met technieken, materialen, verschillende media en nieuwe mogelijkheden uitproberen. De leerling kan onderzoeken op welke manier hij de opdracht kan gaan uitvoeren en kan een uitvoeringsplan maken. De leerling kan eigen criteria en de gegeven criteria van de opdracht benoemen. De leerling kan teruggrijpen naar de informatie en ideeën opgedaan in de oriëntatiefase.

De leerling kan zijn plannen uitvoeren (met behulp van vakspecifieke kennis en vaardigheden) en de uitvoering presenteren (individueel of samen met anderen). De leerling kan zijn keuzes motiveren en een relatie leggen met de onderzoeksfase. De leerling kan in het vormgevingsproces rekening houden met de gegeven en zijn eigen criteria. De leerling kan, daar waar relevant, samenhang benoemen tussen een beeld, dans, spel of muziek en/of andere vakken.

De leerling kan vertellen over het verloop van het werkproces. De leerling kan zijn waardering geven aan het eigen product en werkproces en dat van anderen. De leerling kan deze waardering beargumenteren en maakt daarbij gebruik van kennis en inzicht in verschillende uitingen van kunst en cultuur. De leerling kan oplossingen in het eigen werk vergelijken met die van kunstenaars. De leerling kan laten zien dat hij enige kennis en inzicht in de betekenis die kunst en cultuur, voor het dagelijkse leven van mensen van vroeger en nu, heeft.