Kinderen van de oorlog....( voorstelling)

Kinderen van de oorlog....( voorstelling)

Kinderen van de oorlog.... - een voorstelling van Kaliber Kunstenschool

Deze voorstelling gaat over kind zijn in de Tweede Wereldoorlog en is met de huidige tijd ontzettend actueel.

Oriëntatie
Wie is er weleens naar een voorstelling geweest? Wat zijn regels waar je je aan moet houden als je een voorstelling bezoekt?

Onderzoeken
Hoe ziet je leven eruit in een oorlog? Hoe ontstaan oorlogen? Waar is het momenteel oorlog in de wereld en waarom?
Wie heeft er weleens een film gezien over een oorlog? Welke?
Wie kent het verhaal van Anne Frank die moest onderduiken in Amsterdam tijdens de tweede Wereld Oorlog? Of Oorlogswinter?

Uitvoeren
De voorstelling verteld onbekende, maar daarom niet minder belangrijke verhalen van kinderen die opgroeiden tussen 1940-1945. 
De acteur interviewde haar eigen familie en deze interviews vormden de basis van de voorstelling: Kinderen van de oorlog.

We volgen 2 kinderen die opgroeien in de oorlog. Dezelfde oorlog maar in een ander land. De één in Nederland, de ander in Nederlands-Indië (nu Indonesië). Een meisje en een jongen. Het meisje in de kou, de jongen in de hitte.
De één moest haar fiets inleveren, de ander smokkelde kaas in haar rok, de één haalde groene blaadjes uit een putje, de ander moest werken op een boerderij, de jongen verloor zijn moeder in een Jappenkamp.
Een voorstelling over hoe de oorlog begon, hoe was het om te leven midden in de oorlog en hoe de oorlog eindigde.

Reflectie
Het is mogelijk om de voorstelling met de acteur na te bespreken.

Leerplankader

Oriënteren
(0 punten)
Onderzoeken
(0 punten)
Uitvoeren
(0 punten)
Evalueren
(0 punten)

De leerling kan zijn eigen dramatisch spel afstemmen met de groep en dit gebruiken in een presentatie (zoals een theaterstuk). De leerling kan de verschillende betekenissen die anderen aan theater geven vergelijken met zijn eigen betekenisgeving.

De leerling kan onderzoek doen naar de mogelijke betekenis en de zeggingskracht van spelelementen (wie, wat, waar, wanneer en waarom), speltechnieken en spelstijlen die nodig zijn voor het maken van een scène. Hij kan de opbouw van een toneelstuk (begin, midden, eind en scènes) benoemen. De leerling kan een uitvoeringsplan maken, individueel of samen met anderen, en kan daarbij rekening houden met de criteria van de gegeven opdracht en zijn eigen criteria en/of die van de groep.

De leerling kan bewust de spelelementen wie, wat, waar, wanneer en waarom in spel vormgeven. De leerling kan betekenis en zeggingskracht geven aan zijn spel door een duidelijke inzet van speltechnieken, spelstijlen, (vaste) tekst en (gespeelde) emoties. De leerling kan zijn keuzes motiveren en een relatie leggen tussen de scène en de onderzoeksfase. Hij staat daarbij open voor feedback van anderen. De leerling kan spelopdrachten uitvoeren, actief meespelen met de dramatische werkvormen: tableau vivant, afspreekspel, dialoogspel, toneelspel, tekstspel, improvisatiespel/ inspringspel en voordrachtspel en kan de theatrale vormgeving (decor, kostuums) bewust toepassen in een scène of toneelstuk. De leerling herkent bovenstaande spelopdrachten en dramatische werkvormen en kan verschillen benoemen. De leerling kan zelfstandig een dialoog schrijven en kan een voorstelling maken voor een publiek dat gebaseerd is op een zelfgemaakt of bestaand verhaal. De leerling kan in de les of voor (onbekend) publiek met een duidelijke expressie (verbaal en non-verbaal) spelen.

De leerling kan zijn spelkwaliteiten en ontwikkelpunten en die van andere leerlingen benoemen en kan daarbij zijn eigen criteria (en/of die van de groep) vergelijken met de criteria van de opdracht. De leerling kan een relatie leggen tussen zijn eigen betekenisgeving en die van anderen, waaronder (semi) professionele kunstenaars. De leerling kan de feedback over zijn spel en dat van andere leerlingen uit zijn groepje toepassen in zijn spel.