Raadselconcert! Op zoek naar de verdwenen viool

Raadselconcert! Op zoek naar de verdwenen viool

De leerlingen krijgen de hoofdrol in een spectaculair muzikaal avontuur! Ze voeren een concert uit met vier musici van het Orkest van het Oosten. Samen met een presentator zullen de leerlingen zingen, dansen, actief luisteren en bodypercussie spelen. Ze ontdekken nieuwe instrumenten (viool, gitaar, trompet en contrabas), en dat je zelf, zonder instrumenten, fantastische muziek kunt maken. Zoveel mogelijk basisschoolleerlingen ervaren hoe spannend (licht) klassieke muziek kan zijn: dat is de passie van het Orkest van het Oosten.

Raadsels en muziek vormen de basis van het project: de leerlingen worden meegezogen in een spannend muzikaal verhaal en ze worden gestimuleerd om creatief te denken, problemen op te lossen en samen te werken. Spelenderwijs leren kinderen alles over (klassieke) muziek en muziekinstrumenten, ze maken samen muziek en lossen door middel van interdisciplinaire opdrachten een eeuwenoud raadsel op van de verdwenen viool!

In het lespakket leren de leerlingen het Raadsellied, vertelt privédetective Aad Dagio het verhaal en lossen ze samen met hem allerlei raadsels op. Lukt het de leerlingen om de eeuwenoude viool te vinden?

 

*Het concert wordt gespeeld voor minimaal 160 leerlingen. Het combineren van verschillende scholen is mogelijk.

Meer informatie Monique Wijnker en Carlijn de Lange via educatie@ovho.nl  

Leerplankader

Oriënteren
(20 punten)
Onderzoeken
(25 punten)
Uitvoeren
(50 punten)
Evalueren
(10 punten)

De leerling kan (binnen een inspirerende werkvorm) met aandacht luisteren naar muziek van buiten zijn belevingswereld. De leerling kan de eigen betekenisgeving aan muziek spiegelen aan die van anderen, en staat daarbij open voor andere ideeën.

De leerling kan variaties op thema’s in muziek herkennen en analyseren. De leerling kan variatie als vormprincipe toepassen in zijn composities. De leerling kan zijn muzikale ideeën vormgeven en eventueel verklanken met gebruikmaking van (muziek)technologie. De leerling kan specifieke klankaspecten onderscheiden en die weergeven in passende grafische symbolen.

De leerling kent meerdere canons. De leerling kan eenvoudige ritmische en melodische (begeleidings)patronen spelen binnen meerstemmigheid. De leerling kent de namen en speelwijzen van het schoolinstrumentarium en die van het pop- en (Westerse) klassieke instrumentarium. De leerling kan presenteren met overtuiging.

De leerling kan ontvangen suggesties verwerken in zijn werk(proces). De leerling heeft enig inzicht in de manier waarop muziek het gedrag van mensen kan beïnvloeden.

De leerling kan zijn eigen dramatisch spel afstemmen met de groep en dit gebruiken in een presentatie (zoals een theaterstuk). De leerling kan de verschillende betekenissen die anderen aan theater geven vergelijken met zijn eigen betekenisgeving.

De leerling kan onderzoek doen naar de mogelijke betekenis en de zeggingskracht van spelelementen (wie, wat, waar, wanneer en waarom), speltechnieken en spelstijlen die nodig zijn voor het maken van een scène. Hij kan de opbouw van een toneelstuk (begin, midden, eind en scènes) benoemen. De leerling kan een uitvoeringsplan maken, individueel of samen met anderen, en kan daarbij rekening houden met de criteria van de gegeven opdracht en zijn eigen criteria en/of die van de groep.

De leerling kan bewust de spelelementen wie, wat, waar, wanneer en waarom in spel vormgeven. De leerling kan betekenis en zeggingskracht geven aan zijn spel door een duidelijke inzet van speltechnieken, spelstijlen, (vaste) tekst en (gespeelde) emoties. De leerling kan zijn keuzes motiveren en een relatie leggen tussen de scène en de onderzoeksfase. Hij staat daarbij open voor feedback van anderen. De leerling kan spelopdrachten uitvoeren, actief meespelen met de dramatische werkvormen: tableau vivant, afspreekspel, dialoogspel, toneelspel, tekstspel, improvisatiespel/ inspringspel en voordrachtspel en kan de theatrale vormgeving (decor, kostuums) bewust toepassen in een scène of toneelstuk. De leerling herkent bovenstaande spelopdrachten en dramatische werkvormen en kan verschillen benoemen. De leerling kan zelfstandig een dialoog schrijven en kan een voorstelling maken voor een publiek dat gebaseerd is op een zelfgemaakt of bestaand verhaal. De leerling kan in de les of voor (onbekend) publiek met een duidelijke expressie (verbaal en non-verbaal) spelen.

De leerling kan zijn spelkwaliteiten en ontwikkelpunten en die van andere leerlingen benoemen en kan daarbij zijn eigen criteria (en/of die van de groep) vergelijken met de criteria van de opdracht. De leerling kan een relatie leggen tussen zijn eigen betekenisgeving en die van anderen, waaronder (semi) professionele kunstenaars. De leerling kan de feedback over zijn spel en dat van andere leerlingen uit zijn groepje toepassen in zijn spel.