Ukelele (module)
Ukelele - een module van Kaliber Kunstenschool
De ukelele is net als de gitaar een snaarinstrument, maar handzamer en heeft vier in plaats van vijf snaren. In korte tijd kunnen de kinderen al muziek maken op het instrument. Het leukste is het om jezelf te kunnen begeleiden terwijl je een lied zingt.
In de reeks van drie lessen wordt de motoriek ontwikkeld en wordt een beroep gedaan op het geheugen en maatgevoel. De lessen zijn uitdagend, op een speelse wijze leren de kinderen stap voor stap de ukelele te bespelen.
Kinderen ervaren wat er bij komt kijken een instrument te leren spelen en zullen ontdekken hoe leuk en fijn het is als je na even oefenen echt iets kunt spelen.
Oriënteren:
Wie bespeelt er allemaal al een instrument? Wie weet wat een ukelele is? Wat leer je allemaal tijdens een les op een instrument en waarom is muziek zo belangrijk?
Onderzoeken:
De leerlingen leren het verschil tussen een gitaar en een ukelele. Ze leren wat een akkoord is en wat een fret is.
Uitvoeren:
In de eerste les leren de kinderen al 3 akkoorden en meespelen met een basisliedje. In de lessen die volgen gaan ze meespelen met popliedjes en leren ze er nog een akkoord bij.
Evalueren:
Wat heb je geleerd? Hoe was de beleving? Wat ging goed en wat ging minder goed? Wat heb je nog meer geleerd naast het bespelen van het instrument?
Oriënteren
(25 punten)
Onderzoeken
(25 punten)
Uitvoeren
(25 punten)
Evalueren
(25 punten)
De leerling kan zich binnen de context van het thema of onderwerp openstellen voor verschillende uitingen van kunst en cultuur. De leerling kan daarop reageren met associaties en herinneringen aan eigen ervaringen. De leerling kan daarover communiceren met anderen.
De leerling kan brononderzoek doen en vanuit dit onderzoek conclusies trekken die hij meeneemt in de uitvoerende fase. De leerling kan de betekenis die hij aan kunstuitingen geeft onderzoeken en een relatie leggen met de middelen die de maker heeft gebruikt, bijvoorbeeld beeldof klankaspecten, spel- of danselementen, technieken en materialen. De leerling kan experimenteren met technieken, materialen, verschillende media en nieuwe mogelijkheden uitproberen. De leerling kan onderzoeken op welke manier hij de opdracht kan gaan uitvoeren en kan een uitvoeringsplan maken. De leerling kan eigen criteria en de gegeven criteria van de opdracht benoemen. De leerling kan teruggrijpen naar de informatie en ideeën opgedaan in de oriëntatiefase.
De leerling kan zijn plannen uitvoeren (met behulp van vakspecifieke kennis en vaardigheden) en de uitvoering presenteren (individueel of samen met anderen). De leerling kan zijn keuzes motiveren en een relatie leggen met de onderzoeksfase. De leerling kan in het vormgevingsproces rekening houden met de gegeven en zijn eigen criteria. De leerling kan, daar waar relevant, samenhang benoemen tussen een beeld, dans, spel of muziek en/of andere vakken.
De leerling kan vertellen over het verloop van het werkproces. De leerling kan zijn waardering geven aan het eigen product en werkproces en dat van anderen. De leerling kan deze waardering beargumenteren en maakt daarbij gebruik van kennis en inzicht in verschillende uitingen van kunst en cultuur. De leerling kan oplossingen in het eigen werk vergelijken met die van kunstenaars. De leerling kan laten zien dat hij enige kennis en inzicht in de betekenis die kunst en cultuur, voor het dagelijkse leven van mensen van vroeger en nu, heeft.